Ontwikkeling van basisvaardigheden

Waarnemen
Het begint allemaal met waarnemen.
Waarnemen is ervaren, voelen, experimenteren, ontdekken.
In onze eerste levensfase, vanaf de babytijd, ontwikkelen we ons waarnemingsvermogen. Voelen, ruiken, zien, horen en smaken ontwikkelen zich naar ervaren, tasten, proeven, kijken, luisteren tot beleven, het opmerken en vaststellen, lokaliseren.
In de leeftijd van 2 tot 5 jaar ontwikkelen kinderen hun waarnemingsvermogen, deze wordt steeds ingewikkelder. De kinderen beginnen emoties te herkennen, beseffen visuele beperkingen, iets niet zien betekend niet dat het weg is. Er ontstaat een waarnemingsgeheugen, het kind kan rapporteren over gebeurtenissen, wanneer daar naar gevraagd wordt.
Vanaf het 4de– 5de levensjaar, wanneer de kinderen naar school gaan wordt de ontwikkeling van het waarnemen snel uitgebreid. De leerling bevindt zich in het reflectieve stadium, directe waarneming wordt gekoppeld aan mentale representaties, ook herinneringen kunnen worden vergeleken. Leerlingen kunnen waarnemingen met elkaar vergelijken (hard geluid en fel licht of zachte stof met zacht geluid) en onderscheiden (iets wat ik nu zie is niet hetzelfde als wat ik daarnet zag).
niveau 1 (groep 3-4, onderbouw)
De leerling is nooit meer zo nieuwsgierig als in deze fase van zijn ontwikkeling. Zijn oog voor detail wordt uitgebreid, de leerling begint realiteit van fictie te kunnen onderscheiden, er kan worden genoten van fantasiespelen en wordt flexibeler in zijn aandacht, verschillende opdrachten kunnen na elkaar worden opgedragen, zonder dat de leerling steeds hetzelfde blijft doen.
Vanaf 6 jaar gaat de leerling steeds systematischer te werk in zijn waarneming. De waarneming wordt gedetailleerder, selectiever, aangepaster en meer gepland.
niveau 2 (groep 5-6, middenbouw)
De waarneming in het 6/7de en 8ste levensjaar breidt zich nog meer uit, maar waar eerst nog de focus lag bij de directe omgeving van de leerling, ouders, broertjes en zusjes, wordt de focus steeds meer gelegd bij leeftijdsgenootjes, vriendjes en vriendinnetjes en klasgenootjes. De wereld wordt steeds groter. De klas wordt de school, thuis wordt de straat, persoonlijk contact ontwikkeld van “thuis” naar ” horen in een groep”.
De neiging tot perceptuele schematisering groeit. De leerling kan een complex figuur (een afbeelding die uit veel afzonderlijke figuren of vormen bestaat) scannen en de deelfiguurtjes of afzonderlijke vormen herkennen. Ook gaan kinderen het vermogen tot inhibitie ontwikkelen. De leerling kan beter zijn waarneming sturen, heeft meer aandacht voor de minder opvallendere vormen of figuren in een geheel en kan de dominante prikkels negeren.
De herinnering strategieën worden verbeterd, waar de leerling eerst herinneringen opbouwt vanuit herhaling van informatie, gaat de leerling nu herinneringen ordenen vanuit groepering van informatie. De leerling ontwikkelt de strategie van organisatie.
Vanuit deze strategie wordt de strategie van elaboratie ontwikkeld, het creëren van een relatie tussen twee of meerdere stukken van informatie.
Vanaf 7 jaar is de leerling in staat tot een perceptuele schematisering. Ze kunnen zowel de delen als het geheel herkennen. Je ziet een fruitmand, maar ook de banaan.
De leerling leert nu beter waar te nemen door gebruik te maken van concepten en niet meer door alleen direct waarneembare externe kenmerken. De leerling kan als het een schilderij ziet zich ook richten op de stijl waarin het schilderij geschilderd is, de manier van schilderen, de periode waarin het kunstwerk is gemaakt, in plaats van zich alleen maar richten op het onderwerp of de kleur.
Niveau 3 (groep7-8, bovenbouw)
Vanaf 8 jaar gaat de echtheid van waarneming een grote rol spelen.
Maar ook bij extremen, uiterste en begrenzingen liggen de interesses.
De ontwikkeling van zelfsturing gaat door en leerlingen kunnen irrelevante informatie beter negeren en doelgerichtere strategieën inzetten of bedenken.
Naast betere zelfsturing wordt ook de leerling autonomer, het verschil tussen fysische werkelijkheid en psychologische werkelijkheid wordt duidelijker. De leerling ontwikkeld een zin voor meningen, gedrag en achterliggende motieven. De leerling kan rekening houden met anderen.
Waarneming gaat samenhangen met waardering, waardering voor wat de leerling weet en ervaart.

Verbeelden
We doen sensorische informatie op en doen er iets concreets mee, dit is verbeelden.
Verbeelden is fantaseren, creëren, manipuleren, combineren, plannen, vervormen.
Veelal denkt men dat verbeelden alleen maar bestaat uit het maken van beelden, in welke vorm dan ook, vanuit de fantasie. Dit is niet het geval, naast het maken van beelden (tekeningen, verhalen, schilderijen, boetseerwerken etc.) is de verbeelding meer een manier waarop we iets concreets doen met de sensorische informatie die we (eerder) opdoen. Het is een manier om nieuwe situaties en dingen te bedenken, te vervormen, te manipuleren, te combineren, te associëren, te plannen en te creëren.
Voor verbeelden is een goed waarnemingsvermogen nodig samen met een goed waarnemingsgeheugen.
Doordat via verbeelding iets wordt toegevoegd aan de waargenomen werkelijkheid, zit de notie van verbeelding vrij dicht bij concepten als innovatie en creativiteit. Dit zijn allemaal in de eerste plaats mentale processen (in je hoofd iets nieuws maken) maar net zozeer lichamelijke en materiële processen (met het lichaam of materieel iets maken of doen). Verbeelding is vaak een combinatie van die drie. Ook wanneer de uitkomst van het proces een louter lichamelijke activiteit is (bv. een moderne dans), dan nog kan een mentaal proces bij de danser verondersteld worden.
Vandaar dat alle deelvaardigheden die door de culturele basisvaardigheid verbeelden gevat worden ook als cognitieve vaardigheden kunnen worden gezien.
“Een schilder schildert met zijn hersenen, niet met zijn armen”.
Michelangelo
niveau 1 (groep 3-4, onderbouw)
Waarneming is het meest belangrijke focuspunt tot het 6de jaar. De verbeelding ontwikkeld zich in de leeftijdsgroep van 4 tot 9 jaar, dan worden de leerlingen technisch steeds beter in het verbeelden. Vaardigheden als tekenen, boetseren, toneelspel etc. worden steeds meer geoefend. De complexiteit van mentale representaties groeit, de leerlingen hoeven niet steeds iets direct waar te nemen om zich iets te kunnen voorstellen. Het vermogen groeit om meerdere representaties in het hoofd te kunnen combineren tot een nieuw geheel.
Ook herinneringen kunnen worden gemanipuleerd en veranderd. De leerling leert nadenken over de toekomst, door zijn herinneringen te gebruiken
Het spel van de leerlingen wordt steeds fantasierijker en gaat verder af van de werkelijkheid. De leerling beleeft hier plezier aan!
De leerling leert vanaf het 4de jaar plannen, de leerling kan van te voren bedenken dat het van de klei een huis of een dier gaat maken. Het kind is hier dan ook bewust van, het wordt bewust van de activiteit van het verbeelden zelf.
De technische vaardigheid ontwikkeld zich samen met dit besef, de leerling kan betere representaties maken van de werkelijkheid.
Ook het constructiespel ontwikkelt zich, leerlingen gaan objecten manipuleren naar eigen inzicht en ervaring om iets te bouwen of te produceren. Het materiaal kan leerlingen inspireren en aanzetten tot experimenteren, ontwerpen en zoeken naar nieuwe oplossingen.
Niveau 2 (groep 5-6, middenbouw)
Het belang van verbeelding is groot en ontwikkeld zich naar het denken in concepten.
Bij een eigen creatie is er een groeiende aandacht voor compositie en organisatie.
In tekeningen, schilderwerk wordt meer rekening gehouden met de structuur en de schikking van verschillende vormen en kleuren.
De leerlingen gaan een onderscheid maken tussen de werkelijkheid en een ideale werkelijkheid. Ook het verlangen naar het zo goed mogelijk weergeven van de werkelijkheid groeit.
Vormen en objecten worden in verhouding weergegeven of gerangschikt naar belangrijkheid.
De fantasie wordt teruggedrongen en het waarheidsgetrouw tekenen neemt geleidelijk de bovenhand.
In deze leeftijdsgroep wordt ook de muzikale ontwikkeling begonnen. De leerling begint te luisteren naar muziek of liedjes, de belangstelling voor het zelf maken of het imiteren van muziek of het zingen groeit.
Niveau 3 (groep 7-8, bovenbouw)
De capaciteit om iets wat niet tastbaar is, informatie, een concept, een idee, een herinnering of een ervaring, te manipuleren, vervormen en te combineren, groeit.
De realiteit wordt steeds meer gewaardeerd. De fantasiewereld bestaat nog steeds maar de noodzaak om deze weer te geven alsof hij echt is groeit ook.
Fantastische elementen worden vaak gebruikt als de leerling geen antwoord of oplossing heeft voor een probleem, deze fantastische elementen kunnen als metafoor gebruikt worden voor lastige abstracte begrippen als angst, liefde, de dood of iets waar de leerling zelf nog geen macht over heeft.
Fantastische elementen komen voor als stereotypen, dit zijn metaforen van concepten die in de maatschappij ook gebruikt worden. (een skelet voor de dood, rondvliegende superhelden in capes etc.)
Op deze leeftijd is het voor leerlingen nu mogelijk geworden emoties te faken.

Conceptualiseren
Een waarneming conceptualiseren is het abstract maken van die concrete waarneming.
Conceptualiseren is het omzetten van een concreet element in een taal, teken, symbool of begrip.
Met conceptualiseren maak je waarnemingen en verbeeldingen tot een concept of een begrip. Het is een talig vermogen. Bij geschreven en gesproken taal worden concrete elementen omgezet, in tekens of symbolen, worden begrippen gecategoriseerd.
Taal omvat natuurlijk poëzie, muziek, proza, beeldgeletterdheid, digitale geletterdheid, maar ook gecijferdheid
Het omzetten van een melodie naar een partituur, het omzetten van een klassituatie in een pictogram, het beschrijven van een gevoel, een emotie met een plaatje.
Je kent een abstract concept toe aan iets, we benoemen iets begripsmatig. Op deze manier geven wij, mensen vorm en betekenis aan de wereld. We zetten de werkelijkheid naar onze hand. Onder conceptualiseren valt daarom ook duiden en waarderen. (je kan ergens een negatieve of positieve interpretatie aan geven).
Vanaf het 2de levensjaar ontstaat taal, eerst egocentrisch, taal voor jezelf, later wordt taal sociaal. Kinderen kunnen objecten categoriseren op basis van gemeenschappelijke functie en gemeenschappelijk gedrag. Alle draken zijn gevaarlijk.
Ook kunnen kinderen vertrouwde objecten sorteren volgens algemene categorieën, basiscategorieën en subcategorieën (meubels, stoel en schommelstoel).
En vanaf het 3de levensjaar kunnen kinderen rapporteren van vertrouwde gebeurtenissen in de goede volgorde. Kinderen kunnen dan ook vaststellen dat ze iets herkenbaars hebben getekend.
Niveau 1 (groep 3-4, onderbouw)
Leerlingen categoriseren nog naar gelijkenis in waarneming en op basis van waarneming. (schematisch), heel zelden gebeurt dit op basis van concepten (taxonomisch).
Ook kan iets niet mooi en lelijk tegelijk zijn, het is mooi of het is lelijk.
Deze leerlingen zijn steeds beter in staat om een zelfbeschrijving te geven die gelinkt is aan een directe daad: Ik ben sterk als de leerling zijn spierballen laat zien, of als hij een grote steen op tilt.
Het besef gaat ontstaan dat concepten aan elkaar kunnen worden gelinkt. De leerling kan goed tekenen, zowel thuis maar ook op school.
Niveau 2 (groep 5-6, middenbouw)
Tussen de leeftijd 5 en 8 codeert de leerling creatief, de leerling kan makkelijk een eigen beeldtaal gebruiken. De leerling gebruikt graag symbolen, codes en tekens als code voor objecten, een rondje voor een mens of een vierkantje voor de hond.
Vanaf 6 jaar kan de leerling steeds beter taal gebruiken en begrijpen, het verhaal verbetert op gebieden van organisatie, details en expressie. Verhalen krijgen een steeds belangrijkere rol.
Leerlingen kunnen met taal reflecteren op zichzelf en anderen.
Vanaf 8 jaar worden verhalen persoonlijker en kunnen de leerlingen verhalen samenvatten en inleiden. De verhalen worden langer, meer coherent en omvatten meer evaluatief commentaar.
Het besef groeit van de intenties van anderen, met het groter worden van de wereld groeit dus ook het besef van de bedoelingen van de personen die de wereld bevolken.
De leerlingen gaan zichzelf vergelijken met de verwachtingen van anderen. En wat zij denken wat anderen van hen verwachten. Kritiek wordt moeilijker te verdragen. Zij worden zich bewust van sociale structuren, morele standaarden en het gedrag dat daarbij hoort.
Niveau 3 (groep 7-8, bovenbouw)
Vanaf het 10de levensjaar worden conversatie strategieën verfijnd, Leerlingen kunnen beter onder woorden brengen wat ze willen, ook het vermogen tot abstraheren neem toe. Leerlingen kunnen abstracte bergrippen nog abstracter maken, slim wordt intelligent, nieuwsgierig wordt belangstellend.
Stereotypen worden steeds vaker gebruikt (sociaal wenselijke stereotypen).
De ik-beschrijving van de leerling wordt meer en meer op basis van psychologische kenmerken gemaakt, de leerling kan zichzelf beschrijven als aardig, slim of intelligent, maar daar ook nuances in aanbrengen, als ik bij vrienden ben dan kan ik heel vrolijk zijn, maar thuis ben ik vaak depressief. De leerling zal steeds minder zichzelf beschrijven aan de hand van fysieke kenmerken.

Analyseren
De vaardigheid van het analyseren als een abstraherende cognitieve vaardigheid die sensorisch gestuurd is.
De leerling kan concrete waarnemingen en de abstracties van deze waarnemingen gebruiken.
Met analyseren leert de leerling de werkelijkheid kennen en gebruiken, omzetten naar een eigen bruikbare bestuurbare werkelijkheid.
De leerling leert door een analyse te maken van een muziekinstrument, het begrijpen hoe het ding in elkaar zet, zelf ermee muziek maken.
De leerling leert ook door werkstukken te analyseren waar fouten zijn gemaakt, (vergelijken met de werkelijkheid) of welke onderdelen goed zijn, of verbeterpunten aanbrengen, of de leerling kan trots zijn op de gedane werkzaamheden. De leerling kan verklaren wat er goed en fout is gegaan en daar lering uittrekken.
Vanaf het eerste levensjaar is redenatie nog primitief, het kind denkt intuïtief , niet logisch.
Langzaam ontstaat er begrip over oorzaak en gevolg, en wordt de redenatie steeds logischer in vertrouwde situaties.
niveau 1 (groep 3-4, onderbouw)
De leerlingen beginnen te begrijpen dat andere mensen hun eigen gedachten, redenaties of verklaringen kunnen hebben.
Het analytisch vermogen blijft nog beperkt, de leerling gebruikt vooral verbeelding om dingen te verklaren.
Tot aan het 8ste levensjaar blijft dat zo, de leerling raakt langzamerhand gewend aan allerlei fysische gebeurtenissen en het magisch denken neemt dan geleidelijk af.
Oorzaak en gevolg wordt geoefend, de leerling is hierin het beste in vertrouwde situaties en met eenvoudige relaties.
Niveau 2 (groep 4-5-6, middenbouw)
Vanaf 7 jaar wordt de logica steeds meer actief ingezet en op de juiste manier gebruikt, het redeneren wordt duidelijker en steeds beter georganiseerd.
Tegen de leeftijd van zeven jaar hebben leerlingen begrip van functionaliteit. Acties, gebeurtenissen en resultaten worden volgens vaste patronen aan elkaar gerelateerd. Er ontstaat temporeel inzicht. Iets kan net gebeurd zijn, of al wat verder in het verleden. Er is een groeiend vermogen om rekening te houden met verschillende aspecten van een situatie.
Leerlingen leren twee relaties te combineren en daar een logische conclusie aan te verbinden. Maar de verbeelding wordt nog steeds gebruikt als hulpmiddel om iets te verklaren. Het redeneren wordt steeds complexer, wanneer de complexiteit te groot wordt, grijpt de leerling terug op de verbeelding. Dit gebeurt tot het 9de jaar steeds minder.
Niveau 3 (groep 7-8), bovenbouw)
Vanaf acht jaar verwerven kinderen de capaciteit om logisch te redenen over de relatie tussen tijd en ruimte, kinderen beseffen dat als twee auto’s gelijk starten en finishen maar een andere route volgen, de auto met de langste route sneller moet rijden.
Leerlingen kunnen gebeurtenissen uit het verleden verklaren, leerlingen onderzoeken actief oorzaken en leggen verbanden en beginnen vragen te stellen over zaken die ze eerst als vanzelfsprekend beschouwden.
Begrip neemt toe over verbanden tussen informatie en ideeën, over dezelfde waarnemingen die verschillende opvattingen of perspectieven kunnen opleveren. Leerlingen leren nadenken over verschillende meningen en opvattingen en standaarden
De leerlingen leren afstand te nemen van eigen overtuigingen, feitelijk beschouwen, de mogelijkheid een eigen perspectief en tegelijkertijd het perspectief van een ander beschouwen, ze leren dat algemene wetten en stellingen kunnen worden toegepast op concrete situaties of gebeurtenissen
Vanaf 11 jaar elf jaar zijn leerlingen in staat om een relatie of een gedeelde betekenis te creëren tussen twee of meer stukken van informatie die niet tot dezelfde categorie behoren.
Het analytisch denken is bij leerlingen op de basisschool nog niet volledig ontwikkeld, deze ontwikkeling zet zich voort op de middelbare school.